Meisje meisje meisje / 6 (end)

Een van de twee kleine honden van dakloze man aan het stationOm de foto’s van vorige keer af te geven, daarom loop ik langs Dampoort-station. En ook om te checken hoe hun Kerstavond uiteindelijk geweest is.

Eddy staat buiten te roken en babbelt meteen, zonder intro, zijn hard-baardige zoen niet meegerekend. Dat E.T. naar de dierenarts kan voor 10€ per jaar. Dat hij woensdag pas de eerste afspraak kan krijgen. ‘Ja, met dees dagen is alles toe, hé!’
En dat het boel geweest was, nog diezelfde Kerstavond, met Pascal en Patricia, vooral tussen hen beiden. De bus had op zich laten wachten, waarschijnlijk omdat de dienstregeling uitzonderlijke uren had. De ene na de andere bus had ‘Geen dienst’ op het bord staan, en Pascal wou een taxi nemen. Ze wilden het risico niet lopen te laat te zijn in de nachtopvang. Maar Pascal en Patricia hadden al tien dagen geen rooie duit meer. ‘Opgezopen’, dixit Eddy. Alle ogen hadden zich toen op E.T. gericht. Die bezweken was onder de sociale druk.

– ‘Pascal doet zijn ogen toe als hij gaat uitvliegen. Dat weten we al, dan kunje beter weghoan. E.T. en ik zijn naar ons kamer gegaan; om tien uur zaten we al in bed. Niks geen feestje! De meesten waren trouwens al ladderzat binnengekomen. Haja…’

Het koppel zit nu weer aan Gent-Sint-Pieters. Deze zomer in een tent op de Blaarmeersen, dan in een kraakpand ergens aan de stadsrand, nu weer aan de stations en in de nachtopvang. Met actievoerders tegen armoede en dakloosheid hadden ze twee keer in het stadhuis ge-sit-ind. Burgemeester Termont zou zich hun lot persoonlijk aantrekken. Maar de winter was sneller.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

E.T. vertelt hetzelfde Kerstavondverhaal.
– ‘ “We geven het u volgende week terug, beloofd!” zei Pascal. ‘Ja, in twee keer zullen ze terugbetalen, namelijk: nooit en niet! Vijfeneenhalve euro, dat moeten ze me. Ik ben de enige die nog geld heeft. Die andere daar, tot daar aan toe, da’s mijn maat, maar die twee er nog bij, dat gaat niet!’
E.T. is een schat. Een warmhartige man, die gevaarlijk goed is om op straat te leven. In Limburg kreeg hij zijn papieren maar niet in orde. Moegelopen verkaste hij naar Brugge, maar ook daar werd het een kluwen. En dan raadde iemand hem Gent aan.
– ‘Werkelijk niet te geloven. Op twee dagen had ik al wat geld, en na veertien dagen ook een identiteitskaart én een SISkaart! Overal hadden ze mich van het kastje naar de muur gestuurd, behalve hier in Gent! Ik blijf hier; ze zijn hier goed voor mich!’
Onder zijn diep naar voorgetrokken jeanspet kijken zijn lichtblauwe ogen me lang aan. En dan breekt hij weer.
– ‘Meisje meisje meisje… Als ik ergens woon, dan is het eerste wat ik doe een kader kopen. Om die foto’s in te hangen. Zo naast elkaar, allemaal.’
Hij pakt me bij de schouder; in de schaduw van zijn pet zie ik de tranen lopen.

Kerstavond zelf had hij het ook zo moeilijk gehad. Verstoten door echtgenotes, ouders, hun eigen kinderen, is Kerst voor zovelen de kilste avond van het jaar. De rauwe eenzaamheid was bij E.T. naar binnen geslopen. Ik had iets warms gemompeld en had lipbijtend naar de lokum gestaard die ik had meegebracht. Verlatingstrauma’s kan ik niet oplossen, hoogstens wat versuikeren.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Eddy roddelt, Danny roddelt, zoals steeds, allemaal, altijd. Zodra iemand buiten gehoorsafstand is, wordt er geroddeld. Dus ook over mij. Welke on/waarheden zouden er over mij de ronde doen?
In elk geval is het hetero-idee al doorbroken. E.T. had me enkele weken geleden zien instappen in een auto bij een man. ‘Ik dacht datta uwe vriend was, nee?’ Ik lach hartelijk, en verklap hem dat ik niet op mannen val. De rest van de avond is hij zich blijven excuseren. Dat hij die veronderstelling had gemaakt, dat hij zo vrijpostig was geweest ernaar te vragen, dat hij dat niet gezien had.

Danny die ik al in geen maanden heb gezien en waarvan ik stilaan aannam dat hij ergens onder de pannen was, heeft Eddy en E.T. aan Dampoort-station vervoegd. Straks gaat hij naar zijn vaste nachtopvang Huize Triest. Zijn bijnaam is trouwens ‘Huizeke Triest’ geworden. Omdat hij dat altijd zo opvallend nadrukkelijk zegt. En vermoedelijk omdat sommigen hem een zacht ei vinden die in de sfeer van die katholieke nachtopvang aardt. Eddy en E.T. en de twee hondjes, hebben zichzelf naar de Gasmeterlaan gebeld. Daar mogen de twee hondjes in de kamer; in Huize Triest moeten de honden in een hok buiten.

De mannen kijken op de stationsklok en trekken nog een blik open. Ze zijn best tevreden in dit station. Het is er veel en veel rustiger dan in Gent-Sint-Pieters waar veel verloop is, veel ‘buitenlanders en ander onbetrouwbaar volk’, en waar andere bekenden zitten die met hen nog een eitje te pellen hebben of omgekeerd.

– ‘Ah, daar zijn Fons en zîn lief!’

Eddy wijst naar twee passanten in het donker. Ik schrik. Zie inderdaad de gekende witte kop opduiken. En het schichtige, jonge meisje. Nog steeds met Liesbeth dus!?
Ik reken snel hoe lang het geleden is dat ik hem zag. Lente, of vroeger zelfs. Bijna een jaar dus. Liesbeth was toen nog maar enkele dagen dakloos. Hij had zich over haar ontfermd. Tijdens de zomer had ik ze nog een keer op de banken in het park gezien, van ver. Er was een schisma ontstaan tussen Fons en Marc. Of was het Lieven en Fons? In elk geval, moest ik kiezen bij wie ik de nacht ging doorbrengen. En Fons vond ik onberekenbaarder dan de anderen toen.

Even overweeg ik snel op te stappen. Gemoedelijke conversaties kunnen we met hem wel vergeten. Zijn taal is vaag, monkelend, onvoorspelbaar, flitsend en hard, en soms echt niet te volgen. Hij suggereert eerder dan dat hij iets vertelt. Alles moet tussen de lijnen gelezen worden, alles is minstens voor de helft geheim. Hij ‘zat’ verschillende keren. Het een moet met het ander te maken hebben.

‘Waar gaan jullie slapen?’ vraag ik, nochtans helder.
‘We hebben nooit geen dak boven ons hoofd gehad! Al die tijd niet. Hé, Liesbeth?! Heel de kust hebben we afgereisd. In Raversijde vlogen de vliegtuigen pal boven ons hoofd; als we een steen hadden gegooid, het was ertegen!’

Zelfs als hij relatief stil zit, lijkt hij nog opgefokt. Zou hij vroeger, of nu, veel drugs genomen hebben? Zijn het dat soort sporen?
Hij drinkt, bier, het ene blik na het andere, daarin niet anders dan de anderen. En hij heeft geld, hij deelt pintjes uit.

Liesbeth zit stil naast me. Als ze iets zegt, is het bijna fluisterend. Ze fascineert me. Wat ziet deze twintiger in Fons die rond de vijftig moet zijn en een jungledier is? Hebben ze een soort vader-dochter-verhouding of is er meer aan de hand? Zo ja, wat en hoe?

Diezelfde avond zal me een en ander glashelder onthuld worden. Bijna té helder.

Tags: , ,

No comments yet.

Leave a Reply

*

This blog is kept spam free by WP-SpamFree.